Franciscanessenklooster Nazareth, Oirschot


De architectuur

De twee door de penitenten-recollectinen aangekochte panden aan de Koestraat in 1796 zijn niet meer duidelijk herkenbaar. Het klooster is in de loop der tijden veranderd in een omvangrijk complex, ontworpen door de architecten Jos Cuypers en Jan Stuyt.

Het klooster wordt voortdurend uitgebreid, kleine panden worden neergehaald om plaats te maken voor uitbreiding van het klooster om de te ontplooien activiteiten op het gebied van onderwijs, en later de zorg voor ouderen en zieken, onder te brengen.

In 1830 wordt de school voor arme kinderen gesticht in een van de in 1801 aangekochte huizen. Door een hevige storm wordt het huis volledig verwoest. Dankzij de inwoners van Oirschot staat een jaar later weer een nieuw schoolgebouw. In 1834 ligt er een bouwplan. Voor de pensionaires, leerlingen die intern zijn, wordt een huis gebouwd, waarvoor enkele kleine huisjes worden gesloopt. Ook de kloostermuur wordt in die periode opgetrokken om het oorspronkelijke karakter van de contemplatieve kloosterorde tot uiting te brengen.

De franciscanessen zijn tot die tijd voor de dagelijkse eredienst aangewezen op de parochiale Sint-Petrus’ Bandenkerk van Oirschot. De wens voor een eigen kloosterkapel krijgt vorm: in 1840 verrijst de kapel, in de stijl van de neogotiek, en wordt een jaar later ingewijd.

Door een windhoos in 1902 wordt de kloosterkapel zodanig beschadigd, dat overwogen wordt om een nieuwe, uit baksteen opgetrokken kapel neer te zetten. Het klooster Nazareth is inmiddels uitgegroeid tot een complex in diverse bouwstijlen.

De opdracht wordt in 1907 geschonken aan de architecten J. (Jos) Th.J. Cuypers en J. (Jan) Stuyt en omvat de bouw van klooster, kloosterkerk, rectoraat, kweekschool en andere scholen en ook nog een boerderij.

In de eerste fase worden de schoolgebouwen en het internaat opgetrokken. Hierna, in 1911, wordt de kloosterkapel ingewijd. Intussen ligt de bouw stil door de dreiging van WO-I (1914-1918) en schaarste van bouwmaterialen. Pas in 1922 wordt de bouw voortgezet. Tijdens de uitvoering van het bouwproces worden oudere gebouwen neergehaald, ook het klooster zelf. In 1927 is het complex gereed, inclusief het rectoraat, het onderkomen van een kloosterrector die zich over de geestelijke zorg ontfermt in het kloostercomplex.

Toch vinden er vanaf de 30-er jaren tot 1960 van de twintigste eeuw nog nieuwbouwactiviteiten plaats door de aanwas van leerlingen en de toevoeging van nieuwe onderwijsrichtingen.

De gebouwen omsluiten binnentuinen of -hoven. Het carrévormige karakter brengt de intimiteit van het kloostercomplex tot uiting.

De architecten hebben gekozen voor de neoromaanse stijl. Vanaf midden 19e eeuw tot beginjaren 20e eeuw wordt voor nieuwgebouwde katholieke kerken en kloosters doorgaans gekozen voor de neogotiek. Sinds in 1853 het katholicisme toegestaan wordt zich openlijk te manifesteren, keert men in de bouwstijl weer terug naar het elan van de middeleeuwse gotiek. Des te opmerkelijker en moderner is de keuze voor de neoromaanse stijl. Met hun keuze lijken de architecten zich af te zetten tegen de monumentaal 20 pompeuze bouwstijl van openbare gebouwen en nutsgebouwen, zoals de neoclassicistische, neogotische en rationalistische.

Kenmerkend voor het (neo)romaans is de toepassing van rondbogen, zoals van vensters en deurportalen en tussen de zuilenrijen. In de – doorgaans dikke – muren zijn in het metselwerk rondbogige versieringen aangebracht in spaarvelden (reliëfvakken) en friezen (smalle stroken van versieringen in het metselwerk). Op de muren rust merendeels het gewicht van het gebouw, zodat de vensteropeningen klein gehouden moeten worden. Het gevolg is dat het in het gebouw donker kan zijn.

meer informatie:


volgende : de architecten van het klooster

vorige : de geschiedenis van het klooster